Aan de slag met het Volkshuisvestingsprogramma: begin met kiezen
Veel gemeenten behandelen het Volkshuisvestingsprogramma momenteel nog als de volgende stap in een reeks beleidsdocumenten. Dat is begrijpelijk, maar ook een gemiste kans. Het Volkshuisvestingsprogramma is geen nieuwe woonvisie, geen actualisatie van bestaand beleid en zeker geen administratieve verplichting die je zo efficiënt mogelijk moet afvinken. Juist daarin schuilt de uitdaging.
De nieuwe wet vraagt gemeenten om concreet te maken waar, hoe en voor wie woningen daadwerkelijk gerealiseerd gaan worden. Mijn ervaring is dat veel gemeenten daar inhoudelijk nog terughoudend in zijn. Niet omdat de ambitie ontbreekt, maar omdat de noodzakelijke verbinding tussen beleid, uitvoering en concrete ruimtelijke keuzes vaak nog onvoldoende is uitgewerkt. Wie de eisen van het Volkshuisvestingsprogramma goed bekijkt, ontdekt al snel dat het vraagt om fundamenteel andere gesprekken dan gemeenten tot nu toe gewend zijn te voeren.
Wie het Volkshuisvestingsprogramma ziet als een wettelijke verplichting, mist de kans om woningbouw daadwerkelijk te versnellen.
Meer dan een woon(zorg)visie
Het Volkshuisvestingsprogramma is bedoeld als uitvoeringsgericht instrument onder de Omgevingswet. Gemeenten moeten hierin vastleggen welke woningen zij willen toevoegen, voor welke doelgroepen, op welke locaties en met welk instrumentarium die doelen gerealiseerd worden. Anders dan veel bestaande beleidsstukken vraagt het programma niet alleen om ambities, maar ook om concrete uitvoering. Daarbij moet samenhang worden aangebracht tussen woningbouw, zorg, leefbaarheid, verduurzaming en ruimtelijke ontwikkeling. Bovendien moet het programma uiterlijk op 1 juli 2027 zijn vastgesteld. Daarmee verschuift de aandacht van het maken van beleid naar het organiseren van uitvoering.
Wonen kan niet zonder zorg, warmtetransitie en leefbaarheid
De eerste grote uitdaging zit in de integraliteit die het Volkshuisvestingsprogramma verlangt. Veel gemeenten beschikken inmiddels over een woon(zorg)visie, een warmteprogramma en prestatieafspraken met corporaties. Dat zijn belangrijke bouwstenen, maar ze vormen slechts een deel van het verhaal. De nieuwe opgave vraagt om een veel bredere blik.
- Woningbouw voor ouderen raakt direct aan Wmo-beleid en zorgvoorzieningen.
- De verduurzaming van de woningvoorraad vraagt aansluiting op programma's voor warmtetransitie.
- De toevoeging van woningen heeft gevolgen voor leefbaarheid, voorzieningen en de kwaliteit van buurten.
In de praktijk zie ik nog vaak dat deze beleidsterreinen naast elkaar functioneren. Elk domein heeft zijn eigen doelen, planning en soms zelfs een eigen verantwoordelijke afdeling. Het Volkshuisvestingsprogramma vraagt juist om het doorbreken van die verkokering en brengt deze onderwerpen juist samen. Gemeenten die denken vanuit afzonderlijke beleidsdocumenten lopen het risico een programma op te stellen dat juridisch voldoet, maar in de uitvoering vastloopt. Juist daarom loont het om vroegtijdig alle relevante beleidsvelden en stakeholders aan tafel te brengen. Niet als formele inspraakronde, maar als inhoudelijk gesprek over wat er nodig is om woondoelen daadwerkelijk te realiseren en te versnellen.
Ambities zijn niet hetzelfde als concrete locaties
De tweede uitdaging is misschien nog lastiger: het programma verplicht gemeenten om concreet te worden over locaties en planning. Veel gemeenten beschikken over woningbouwambities die op hoofdlijnen goed zijn uitgewerkt. Op papier zijn aantallen vastgesteld, doelgroepen benoemd en ambities geformuleerd. Maar zodra de vraag wordt gesteld welke locaties precies bijdragen aan die opgave, binnen welke termijn dat gebeurt en welke prioriteit locaties hebben, blijkt vaak dat deze vragen nog niet concreet beantwoord zijn.
Juist die concreetheid maakt het Volkshuisvestingsprogramma waardevol, maar ook uitdagend om op te stellen. Woningbouw versnellen begint namelijk niet met nieuwe ambities, maar met duidelijke keuzes. Welke locaties dragen het meest bij aan de woonopgave? Welke projecten verdienen bestuurlijke prioriteit? Welke locaties vragen aanvullende investeringen of planologische procedures? En welke plannen zijn realistisch binnen de gestelde termijn? Gemeenten die deze vragen niet beantwoorden, lopen het risico dat het programma een verzameling goede intenties wordt. Gemeenten die wel scherp kiezen, creëren juist een stevig fundament voor uitvoering.[SB2.1] Dat vraagt soms bestuurlijke moed. Niet iedere locatie kan tegelijkertijd prioriteit krijgen en niet iedere wens past binnen de beschikbare ruimte. Toch zijn juist die keuzes nodig om regie op de woningbouw aan te brengen.
Gemeenten die wel scherp kiezen, creëren juist een stevig fundament voor uitvoering.
De deadline is dichterbij dan het lijkt
De derde uitdaging is tijd. De deadline van 1 juli 2027 is voor veel gemeenten al ambitieus, maar feitelijk is de beschikbare tijd nog beperkter. Het opstellen van een goed Volkshuisvestingsprogramma vraagt onderzoek, afstemming met stakeholders, bestuurlijke besluitvorming en interne coördinatie tussen verschillende afdelingen. Bovendien moeten voor een collegebesluit vaak ook gemeenteraden tijdig worden meegenomen in de gemaakte keuzes. Wanneer wordt teruggerekend vanuit besluitvormingstrajecten, blijkt dat veel gemeenten al binnen afzienbare tijd moeten starten om de deadline te kunnen halen.
Juist hier zie ik een risico ontstaan. Veel gemeenten zullen geneigd zijn om bestaande documenten samen te voegen tot een programma, waardoor de beoogde volledigheid en concreetheid ontbreekt. Dat lijkt efficiënt, maar het vergroot de kans op een papieren werkelijkheid die weinig toevoegt aan de woningbouwopgave. De komende maanden zijn daarom cruciaal. Vooral omdat gemeenten nu moeten bepalen welke informatie nog ontbreekt, welke beleidsvelden betrokken moeten worden en welke ruimtelijke keuzes gemaakt moeten worden. Hoe eerder dat inzicht ontstaat, hoe groter de kans dat het programma daadwerkelijk richting geeft aan de uitvoering.
Deadlines in opbouw naar gemeentelijk Volkshuisvestingsprogramma
| (Tussen)stap | deadline |
|---|---|
| Verdeling woningbouwdoelstellingen regio naar gemeenten | 1 januari 2027 |
| Vaststelling Volkshuisvestingsprogramma Rijk | 1 juli 2027 |
| Vaststelling Volkshuisvestingsprogramma Gemeente | 1 juli 2027 |
| Ontwerp Volkshuisvestingsprogramma Provincie | 1 juli 2027 |
| Vaststelling Volkshuisvestingsprogramma Provincie | 1 januari 2028 |
Begin met keuzes, niet met een document
Mijn advies aan gemeenten is daarom helder: beschouw het Volkshuisvestingsprogramma niet als een verplicht nummer, maar als een kans om orde te scheppen in een steeds complexere woningbouwopgave. Begin niet met het schrijven van een document, maar met het verzamelen van de bestaande bouwstenen. Breng woonbeleid, zorg, leefbaarheid, warmte en ruimtelijke ontwikkeling bij elkaar. Maak vervolgens scherp welke locaties daadwerkelijk bijdragen aan de opgave en welke bestuurlijke keuzes daarvoor nodig zijn. Neem daarin het beschikbare instrumentarium op bestuurlijk, juridisch en financieel gebied mee. Pas daarna volgt het programma zelf. Het maken van deze keuzes geeft ook richting aan het oplossen van knelpunten vanuit onderwerpen als netcongestie, water, stikstof en mobiliteit.
Bij Haskoning merken we dat veel gemeenten juist behoefte hebben aan ondersteuning op deze drie punten: het verbinden van beleidsvelden, het vertalen van ambities naar concrete locaties en programmering, en het organiseren van een haalbaar proces richting vaststelling. Dat vraagt niet alleen kennis van integrale ruimtelijke afweging en volkshuisvesting, maar ook begrip van gemeentelijke besluitvorming en gebiedsontwikkeling. Een samenkomst daarvan garandeert dat het Volkshuisvestingsprogramma geen papieren tijger wordt, maar concreet bijdraagt aan het versnellen van woningbouw.
Aan de slag met woningbouwversnellingbinnen een gezonde leefomgeving
Bereikbaarheid zet woningbouw in beweging

