
Een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) is handig om een goed overzicht en begrip van een gebied te krijgen, voordat er keuzes worden gemaakt in natuurbeheer, -herstel of -ontwikkeling. In een LESA worden namelijk antwoorden gezocht op de vraag hoe een landschap met de bijbehorende natuurwaarden is ontstaan, nu functioneert en welke aspecten sturend zijn binnen het systeem. Componenten - zoals ontstaansgeschiedenis, ondergrond, grondwaterstromingen en vegetatie - worden onderzocht om goed te begrijpen hoe het systeem in elkaar zit.
Stel, een beek is in het verleden rechtgetrokken om sneller water af te voeren. Later ontstond het besef dat dit gepaard ging met een (sterke) achteruitgang van de natuurwaarden, waarna op veel plekken is ingezet op een meanderend beekherstel. Desondanks ontwikkelde de natuur zich vaak nog niet tot haar volledige potentie. De voorheen typische flora komt bijvoorbeeld moeizaam tot bloei en typische fauna blijft vooralsnog weg. Een gemiste kans.
Wat kan daarvan de oorzaak zijn? In het verleden is beekherstel vaak toegepast zonder eerst goed te onderzoeken waarom de beek op sommige trajecten sterk meanderde en op andere juist minder. In de planvorming is het belangrijk om eerst het systeem te begrijpen. Hoort de beek op een specifiek traject te meanderen of past daar juist een rechter verloop?
Zo kan een stugge ondergrond de beek van oudsher ‘op zijn plek’ hebben gehouden of liet het sterke verhang van het landschap geen meandering toe. Of misschien spelen er andere factoren, zoals een gedaalde grondwaterstand in de omgeving door grondwaterwinning of de aanleg van een intensief slotenstelsel. Door vooraf in beeld te brengen waarom het systeem werkt zoals het werkt, wordt duidelijk aan welke knoppen gedraaid kan worden.
Maatregelen worden effectiever, beter uitlegbaar én toekomstbestendig.
Met een LESA brengen we eerst in kaart hoe het systeem ooit werkte en ook hoe het nu werkt. Wat vertellen het reliëf, de bodem en bepaalde toponiemen ons? In een LESA behandelen we vraagstukken over natuur en ecologie, maar nooit los van de abiotiek: bodem, water en de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Juist die samenhang verklaart waarom natuurwaarden zich wél of niet ontwikkelen en dit wil je als beheerder, projectleider of beleidsadviseur natuur weten voordat werkzaamheden voor natuurherstel worden uitgevoerd.
Zo laat de geomorfologie bijvoorbeeld zien waar de beek oorspronkelijk meanderde, bodemanalyses tonen oude klei- en veenlagen die water vasthielden en de hydrologie maakt duidelijk dat er vroeger misschien wel kwelzones waren die het beekdal voedden. Op die manier kunnen we stap voor stap de vorming van het landschap beter begrijpen en maatregelen ontwerpen die het systeem versterken in plaats van tegenwerken.
In een LESA willen we hypotheses expliciet maken. Daarvoor lopen we thematische lagen langs: van de vorming van het landschap, via topografie en bodem, naar hydrologie en uiteindelijk flora en fauna. Dat rangordemodel helpt ons om breed te beginnen en steeds specifieker te worden. Soms starten we praktisch met een vegetatieonderzoek vanwege het groeiseizoen. Maar in onze rapportages plaatsen we die observaties altijd terug in de keten van oorzaken. Waar monodisciplinair onderzoek vaak enkel ingaat op de abiotiek of biotiek, legt de multidisciplinaire aanpak van een LESA juist de verbinding tussen beiden.
Een praktijkvoorbeeld waarbij wij een LESA uitvoerden is op de Boschhuizerbergen, een Natura 2000-gebied bij Venray. Daar ontbrak scherp zicht op de werking van het natte deel van het systeem dat in oude, van de Maas afgesneden, geulen ligt. Naast een vegetatieonderzoek kregen we met behulp van grondboringen, peilbuizen en bodem- en waterbemonstering het systeem beter in beeld. Waar liggen scheidende lagen, waar valt het systeem droog, van welke kant komt het water? Hiermee konden we het geohydrologische model verfijnen.
Vervolgens rekenden we hydrologische scenario’s door: wat gebeurt er als we een diep ingesneden beek met een halve meter ophogen? Of wat gebeurt er als de aangeplante naaldhoutbossen plaatsmaken voor de uitgestrekte heides van vroeger? Stijgen de grondwaterstanden dan in het hele gebied of enkel lokaal?

De uitgevoerde analyses leverden een set maatregelen op die waren onderverdeeld in drie categorieën. No-regretmaatregelen waren direct uitvoerbaar, zoals het dempen van sloten om water vast te houden en het omvormen van aangrenzende landbouwgrond naar natuur. Potentieel doelmatige maatregelen vereisden aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld het verhogen van het peil in een diep ingesneden beek. Minder doelmatige of kostbare maatregelen, zoals het omvormen van naaldbos naar heide, bleken veel inspanning te vragen met beperkte hydrologische winst. Deze oplossingen hielpen beleid en praktijk aan elkaar te koppelen door keuzes tastbaarder te maken en waren beter uitlegbaar aan omgeving en bestuur.
LESA’s spelen steeds vaker een rol in beheerplannen en natuurdoelanalyses in dit soort Natura 2000-gebieden. Zo vraagt de Ecologische Autoriteit nadrukkelijk om actuele, degelijke systeemanalyses. Voortborduren op inzichten van twintig jaar geleden is niet meer genoeg. Die trend heeft ook te maken met de integrale manier waarop we gebiedsvraagstukken aanvliegen. Een beekherstel raakt niet alleen het beekdal, maar ook de flanken en nabijgelegen dorpskernen en landbouwgronden. Klimaatadaptatie speelt daarbij een belangrijke rol. Een goede LESA moet leiden tot een toekomstbestendig plan: werken de maatregelen ook na vijf droge zomers of juist na vijf natte winters?


Natuurlijk kent een LESA ook uitdagingen. De grootste is het bepalen van de scope. LESA's zijn er namelijk in veel verschillende schaalniveaus. Zo kan het voor de doelstelling belangrijk zijn dat er een groot aantal boringen worden gezet, bodem- en watermonsters worden verzameld en indicatorsoorten in het veld in kaart worden gebracht. Maar een LESA kan ook 'high over' geschreven worden door vooral bestaande literatuur en kaartmateriaal te gebruiken. De kunst is om scherp te kiezen wat écht nodig is om de vraag van de opdrachtgever te beantwoorden.
De kansen voor LESA’s zijn het grootst in integrale trajecten, bijvoorbeeld bij beekherstel en ruimte voor de rivier. Daar is het verleidelijk om meteen met oplossingen te komen en te ontwerpen, maar wij pleiten ervoor om te beginnen met het systeem. Zo ontdekten we eens bij een ontwerp voor een nevengeul dat veenlagen in de ondergrond zouden worden aangesneden en periodiek droog zouden vallen. Dat is onwenselijk. Blootgelegd veen gaat werken en oxideren. Door het gebied eerst te ‘lezen’, voorkom je dit soort verrassingen.
Daarom geven wij aan beleidsmakers mee: begin integraal en hypothese-gedreven. Breng vóór het ingrijpen het systeem in kaart, zodat duidelijk is aan welke knoppen gedraaid wordt. Dat hoeft niet altijd ‘LESA’ te heten; het gedachtegoed is belangrijker dan het label. Maar als natuur een belangrijk doel is, helpt een LESA om biotiek en abiotiek structureel te verbinden en maatregelen robuuster te maken. Tegenstrijdige effecten worden voorkomen, het vergroot de effectiviteit en keuzes zijn beter uit te leggen aan andere belanghebbenden.
Bij Haskoning werken wij met tien landschapsecologen die zich bezig houden met integrale LESA vraagstukken. Daarnaast hebben we experts op het gebied van klimaatadaptatie, ecologie, geologie en hydrologie, waardoor we LESA vraagstukken volledig autonoom kunnen behandelen. Dit maakt onze aanpak uniek. Veel partijen kunnen een LESA schrijven, maar weinig hebben al deze disciplines onder één dak. Door actief deel te nemen aan ontwerpteams, borgen we het LESA-gedachtegoed vanaf de eerste schets tot het definitieve ontwerp. Daarnaast koppelen we landschapsecologische inzichten aan hydrologische modellen, die met velddata worden verfijnd. Zo ontstaat een rijk en betrouwbaar beeld waarmee we toetsen of maatregelen écht bijdragen aan de doelstellingen van de opdrachtgever.